Warmtepompen ook zinvol in bestaande gebouwen
Praktijkonderzoek
Het project omvatte 77 installaties: 61 met een lucht-water warmtepomp en 16 met een geothermische. De gebouwen werden uitgebreid bemeterd, waarbij de gegevens om de 30 seconden werden geregistreerd. Driekwart van de warmtepompen had een koudemiddel met een GWP van meer dan 1000; daarentegen waren er acht installaties op R290. Wat de bijverwarwing betreft, ging het overwegend (84%) om all-electric installaties met een back-up weerstand. In zes gevallen was er een hybride opstelling met een gasketel, in twee gevallen een stookolieketel en er waren eveneens twee gevallen waarbij een kachel hydraulisch verbonden was met de afgifte-installatie. Op een enkele uitzondering na, werden de warmtepompen tussen 2012 en 2023 geplaatst.
Negen vooraanstaande fabrikanten van warmtepompen en twee energieleveranciers werkten mee aan het project, dat gesteund werd door de Duitse federale overheid. Het bouwjaar van de gebouwen varieerde van 1826 tot 2001, met verwarmde oppervlakken tussen 90 en 370 m2. Het gemiddelde was 170 m2. De gebouwen van voor 1979 waren gerenoveerd naar een bovengemiddelde energieprestatiepeil. De nieuwere gebouwen hadden geen noemenswaardige renovatie ondergaan.
Werking in renovatie
Het onderzoek toont dat warmtepompen wel degelijk efficiënt kunnen werken in bestaande gebouwen, ook zonder dat deze tot een nieuwbouwstandaard gerenoveerd hoeven te worden. Tegelijk werd er vastgesteld dat er nog ruimte is voor optimalisering. Gemiddeld haalden de warmtepompen een jaarrendement van 3,4. Dat is beter dan in het eerdere project uit 2019 WPSmart im Bestand; Daar lag het gemiddelde slechts op 3,1. Dit gemiddelde verbergt echter sterk uiteenlopende waarden: de slechtst presterende lucht-water warmtepomp haalde amper 2,6, terwijl het rendement van de beste lucht-water installatie met 4,9 bijna twee keer zo hoog lag. Geothermische installaties waren gemiddeld efficiënter, met een jaarrendement van 4,3 (tegenover 4,1 in het eerdere WPSmart im Bestand). Hier varieerde de rendementen tussen 3,6 en 5,4. Opmerkelijk is wel dat er geen verband was tussen bouwjaar en jaarrendement. Over het algemeen ging 80% van de warmte naar ruimteverwarming en 20% naar SWW-productie.